Verzetswerk vanuit Eenum, tijdens WO II.

(o.m. overval distributiekantoor Slochteren) (Overgenomen uit: Het verzet in de gemeente Loppersum door Reint Middel en Namen in Steen van G. Snaak en B. van Dam.)

Harm Molenkamp (schuilnaam: Anne), geboren te ’t Zandt op 29 januari 1921, woonde te Eenum aan de Oosterwijtwerderweg 13. Hij was niet verbonden aan een speciale verzetsgroep, waarbij zijn werkterrein zich ver buiten Eenum en de provincie strekte. Hij was door de landelijke verzetsleiding onder meer belast met de verzorging van persoonsbewijzen en distributiestamkaarten., hierdoor raakte hij soms in benarde posities.

Hendrik Ernst de Haan (lange Henk), geboren te Batavia op 4 mei 1920, vanaf 1938 werktuigbouwkundig student aan de TH te Delft, dook in mei 1943 kort onder in Loppersum en daarna als eerste onderduiker bij de fam. Jan Molenkamp in Eenum. Hij neemt al snel veel administratief werk van Harm over samen met de, in huize Molenkamp opgenomen, in Beilen geboren student, Otto Tichelaar, deze is o.a. werkzaam geweest op het gemeentehuis in Kantens. In januari 1944 vindt daar een overval plaats, hierbij is als chauffeur betrokken de op 16 augustus 1918 in Eenum geboren Si(e)bo Tonnis Haan, later vertrokken naar Wirdum. Hij werd op 28 juli 1944 gearresteerd en overleed op 31 mei 1945 te Bergen-Belsen Jan Lever (Jan de Boer), geboren te Groningen, 11 augustus 1922, kantoorbediende, eveneens ondergedoken bij de fam. Molenkamp.
Het is juli 1944 en weer moesten er dringend distributiebonnen komen en het oog viel daarbij op het distributiekantoor van Slochteren. De besprekingen voor deze overval vonden plaats in het huis van Molenkamp te Eenum en werden gevoerd onder leiding van Huib Ottevanger. Hoewel deze veel tijd stak in de verspreiding van het illegale blad “Trouw” bemoeide hij zich ook met ander verzetswerk. En zo voerden zij besprekingen met Hendrik de Haan (lange Henk) en andere verzetsmensen. Lange Henk wilde de buit naar de boerderij van Molenkamp (Oosterwijtwerderweg 13) brengen, maar deze vond het niet verstandig. Tenslotte wist de Sicherheitsdienst (SD) veel te veel over Molenkamp. Helaas was lange Henk in dit soort zaken wel eens wat te gemakkelijk van opvatting. Na een week druk onderhandelen en plannen maken ging men op 21 juli 1944 op pad. Men had een forse ploeg gevormd, want het was een vrij groot kantoor. Dus moest er veel vervoerd worden. De ploeg bestond uit een 10-tal overvallers, waaronder Henk de Haan (lange Henk), Kees Roeters (kleine Kees) en Jan Lever (Jan de Boer). Tegen half negen arriveerden de overvallers in een paar ploegjes. De Haan ging met nog iemand naar binnen. Het kantoor was al open en er waren reeds klanten aanwezig. Maar bij het zien van de vuurwapens, stond iedereen onmiddellijk met de handen omhoog. Maar al die mensen, het waren er ongeveer veertig, moesten wel ergens naar toe. Gelukkig stond er naast het kantoor een loods en die werd tijdelijk gebruikt als gevangenis. Tijdens het overbrengen van het kantoor naar de loods, dat moest via de open lucht, deed zich een komisch geval voor. Een boertje kwam aanzetten om een schoenenbon af te halen. De man was er niet van te overtuigen dat zoiets op dat moment niet ging. Met zachte dwang werd ook hij in de loods geparkeerd. Toen stopten ze de fietstassen vol met zoveel mogelijk materiaal, deden de loodsdeur op slot en maakten dat
ze wegkwamen. Tot zover ging alles goed. Maar helaas was er één fout gemaakt. Men had de ambtenaren, en vooral de leider van het kantoor, moeten fouilleren en dat had men nagelaten. De leider van het kantoor had namelijk een sleutel van de loods en toen de verzetsmensen amper waren vertrokken waren de ‘gevangenen’ al weer vrij. Nadat de leider van het distributiekantoor de deur van de loods had geopend is hij meteen naar het politiebureau gegaan. De chef van de politie aldaar maakte de fout door rechtstreeks met de Sicherheitsdienst (SD) te bellen. Ja, toen kwam de SD dus snel in actie. Voor de overvallers was er daarom haast geboden. Zo snel men kon ging het Noordwaarts, het Eemskanaal over en toen naar een vertrouwde plaats. De groep splitste zich in tweeën, een deel ging naar Hoeksmeer. Daar werd de buit bij de fam. Dam verstopt en daarna ging men uit elkaar. Een aantal ging naar de stad Groningen, maar Cor van Veldhuizen ging naar Zijlema in Garrelsweer. Daar verkleedde hij zich, stapte in Loppersum op de trein en week uit naar Friesland. Hij heeft de oorlog overleefd. Drie anderen, te weten Henk de Haan, Kees Roeters en Jan Lever, vluchtten naar de boerderij van Molenkamp, ondanks de waarschuwing die Molenkamp Sr. hen reeds voor de overval gegeven had. Daarna voltrok zich een drama. De SD was het spoor van de verzetsstrijders volledig kwijt en zocht overal, zonder iets te vinden. Maar plots kwam men op het idee om eens naar de boerderij van Molenkamp te gaan. Je wist maar nooit. Zo arriveerde, tegen de middag, de SD bij de boerderij in Eenum. Mevrouw Molenkamp zag ze het eerst en schreeuwde tegen de jongens: “Wegwezen, de Duitsers komen met een overvalwagen hiernaartoe”. Henk en Jan konden via de achterdeur nog naar buiten, maar werden enkele ogenblikken later op de vlucht over de landerijen, naar de nabijgelegen kwekerij (Schansweg 4), in een vuurgevecht doodgeschoten. Kees Roeters werd door de SD en de Grüne Polizei gevangengenomen en met de nodige klappen de overvalwagen in geslagen. Ook mevrouw Molenkamp werd gearresteerd. De dochters Jantje en Siep waren niet thuis. Ze zijn door derden opgevangen en tijdelijk ondergebracht bij familie. Molenkamp Sr. was op dat moment ook niet thuis. Hij was bij boer Smedema aan het “vlas bultjen”. Toen hij van de overval hoorde, ging hij niet naar huis, maar verstopte zich in een stuk tarwe nabij de begraafplaats van Eenum. Van daaruit was hij er getuige van, dat er twee lijken naar de begraafplaats werden gebracht. Mevrouw Mulder die even verderop naast de begraafplaats woonde (Pastorieweg 3), wist waar hij was. Ze bracht hem nog wat eten. Maar wie in zo’n omstandigheid verkeert, lust geen eten. En dat gold voor heel Eenum. Vijfentwintig jaar later zei iemand: ”Er is dei dag gainain in Ainm dei om 12 uur eet’n het”. Bij de boerderij van Smedema stond de SD de arbeiders, die van hun middagpauze weer naar hun werk kwamen, op te wachten. Ze moesten, samen met boer Smedema en zijn vrouw bij de achtergevel van de boerderij op één rij gaan staan en werden onder schot gehouden. En als niet gezegd werd waar Molenkamp Sr. was zouden ze iemand doodschieten. De vrouw van Smedema, die redelijk Duits sprak, heeft hen duidelijk gemaakt dat niemand wist waar hij was. Daarna vertrokken de SD-ers en lieten iedereen geschrokken en opgelucht achter.
De afloop: Vanaf dat moment behoorde ook Molenkamp Sr. bij het korps onderduikers. Hij verbleef lange tijd bij Jan Kort, die toen in de Groeve woonde. En mevrouw Molenkamp? Die werd overgebracht naar het Scholtenshuis. Na enige tijd werd ze ingesloten op het politieburo in Groningen. Of het kwam doordat ze onder haar meisjesnaam was ingeschreven, wie zal het zeggen, maar ze werd vergeten door de SD. Na ongeveer zeven weken, op 5 september 1944, werd ze vrijgelaten. Na haar vrijlating ging ze eerst naar de familie Borgdorff aan de Amalia van Solmstraat in Stad, één van de onderduikadressen van zoon Harm. Daar hebben ze ook afscheid van elkaar genomen waarbij Harm de woorden sprak: “Tot de vrede en anders bij Jezus”. Dat was hun laatste ontmoeting hier op aarde, hoewel hij die dag nog ontkwam aan de Duitsers. Mevrouw Molenkamp keerde terug naar Eenum, maar ze mocht niet weer in de boerderij wonen. Tot de bevrijding heeft ze met haar beide dochters in de pastorie van de Hervormde Kerk (Hogeweg 5) gewoond. En Kees Roeters? Wel we zullen het nooit aan de weet komen hoe hij gemarteld is in het Scholtenshuis. Uiteindelijk belandde hij in het concentratiekamp Sachsenhausen, waar hij op 20 februari 1945 overleed.
Het Hol. Na de Slochter kraak zal het u duidelijk zijn dat het met het verzetswerk vanuit de boerderij van Molenkamp gebeurd was. En hoe het Harm verging? Daarover ga ik u nu vertellen. In Eenum was voor Harm niets meer te doen. Zelfs in de provincie Groningen kon hij zijn gezicht niet meer laten zien en daarom verdween hij naar Drenthe. Eerst dook hij onder in Zuidlaren en korte tijd daarna in de bossen tussen Anloo en Eext. Men had daar een hol gegraven waar 4 personen konden leven, later werd dat uitgebreid tot een verblijfplaats van 8 personen. Op vrijdag, 29 september 1944, bevonden zicht een achttal verzetsmensen in het hol. Al vroeg in de morgen kwam er een koerierster haastig aanlopen met de alarmerende mededeling dat er een grote groep Duitsers was gearriveerd, die kennelijk de bedoeling had om grote manoeuvres in de bossen te houden. De koerierster was inmiddels gevlucht en waarschuwde zoveel mogelijk jongens. Zo zijn er 5 ontsnapt. Helaas werden er drie gevangengenomen en naar Groningen gebracht. Het waren: Jacob Bruggema uit Veendam, Gerard Oosting uit Zuidlaren en –jawel- Harm Molenkamp uit Eenum. Op 19 oktober 1944 zijn ze gefusilleerd en in de verbrandingsoven van kamp Westerbork gecremeerd. Op 2 november 1945 zijn hun urnen achter in een U-vormige muur gemetseld op de begraafplaats Esserveld te Groningen. De vader van Harm Molenkamp is eveneens een belangrijk persoon geweest in het verzetswerk. Hij kenmerkt zich door bedachtzaamheid en neemt overwogen besluiten. Hij kent de gevaren. Een voorbeeld daarvan speelt zich af in de zomer van 1943. Op het moment dat zoon Harm een partij bonnen en een Duitse uniform mee naar huis heeft genomen en er ook nog onderduikers in huis zijn, begint er in Eenum een razzia. De onderduikers negeren aanvankelijk het verzoek van Molenkamp om belastend materiaal weg te brengen. Ze hebben 12 pistolen en willen daarmee de schuilkelder in. Op voortdurend aandringen van Molenkamp brengt hij hen buiten de boerderij en hij gaat terug
”om zichzelf op te offeren”. Hij verwijdert de kleding van de kapstokken, brengt die het veld in en keert terug. Dan ziet hij dat de boerderij wordt omsingeld door Duitsers. Als Molenkamp te kennen geeft niet te weten waar ”de jongens” zijn, slaat SD-er Schäfer er meteen op los. Vader Molenkamp komt uiteindelijk in het Scholtenshuis terecht. Daar ontkent hij alle beschuldigingen. SD-er Robert Lehnhoff komt hier tot de uitspraak: ”U is een eerlijk man, hier is een sigaret en U bent vrij. Hebt U nog wat te zeggen?” “Ja, ik wil protesteren tegen de wijze waarop men een onschuldig man behandelt”, antwoordt Molenkamp. Hij wordt vervolgens hardhandig de deur uitgetrapt.
Hendrik Ernst de Haan (lange Henk), geboren te Batavia op 4 mei 1920, vanaf 1938 werktuigbouwkundig student aan de TH te Delft, dook in mei 1943 kort onder in Loppersum en daarna als eerste onderduiker bij de fam. Molenkamp in Eenum. Hij neemt al snel veel administratief werk van Harm over samen met de, in huize Molenkamp opgenomen, in Beilen geboren student, Otto Tichelaar, deze is o.a. werkzaam geweest op het gemeentehuis in Kantens. In januari 1944 vindt daar een overval plaats. In februari 1945 is hij door ophanging vermoord in Neuengamme.
Jan Lever (Jan de Boer), geboren te Groningen, 11 augustus 1922, kantoorbediende, overleden te Eenum, 21 juli 1944.
In augustus 1945 staat er een overlijdensadvertentie in dagblad Trouw:

Als gevolg van de overval op het distributiekantoor te Slochteren op 21 juli 1944 zijn voor Vorst en Vaderland gevallen:

Hendrik Ernst de Haan (lange Henk)

Jan Lever (Jan de Boer)

Kornelis Roeters (kleine Kees)
Zij stonden pal in den strijd voor een vrij Nederland. Hun nagedachtenis zal bij ons in hooge eer blijven.
Namens de KP Groningen
Eltje Mulder, geboren te Zeerijp op 10 november 1923, veldarbeider/lasser. Hij was ook ondergedoken bij de fam. Molenkamp in Eenum. Als gevolg van de Arbeitseinsatz bevindt hij zich in het najaar van 1944 in het doorgangskamp Fuhlsbüttel Stadtkreis Hamburg. Daar wordt hij ziek. Op 20-jarige leeftijd overlijdt hij op 11 oktober 1944 in een ziekenhuis in Hamburg. Hij wordt begraven op het ”Friedhof Ohlsdorf” in de buurt van het kamp. Later is hij herbegraven op het Ereveld te Loenen.
Onne Pieter Roelf Elema, geboren 12 januari 1932 te Zierikzee en is de zoon van landbouwer zoon Johannes (Hans) Elema uit Leermens. In 1944 woonde het gezin Johannes Elema in Hilversum. De moeder van Johannes, Pieterke Harmanna van Niejenhuis, woont op dat moment als weduwe in het centrum van Leermens. Zijn vader, Onne Pieter Elema, is in 1936 overleden. Na zijn dood neemt zijn zoon Hendrik het boerenbedrijf (Schansweg 17, Leermens) tot 1984 over. In 1944 verblijven 2 kinderen van Hans voor langere tijd bij hun oma in Leermens als gevolg van grote voedseltekorten in het westen van het land. Onno Pieter komt door het verblijf bij zijn oma ook regelmatig bij oom Hendrik en tante Afina. Zo ook op 26 april 1945 in het toen al bevrijde Leermens en Eenum. Op de Eenumerhoogte staan op die dag tanks van oprukkende Canadezen. De kinderen zijn, op het moment dat het erg rustig is, nieuwsgierig naar de tanks komen kijken. Er is geen Duitse soldaat meer in de directe omgeving te vinden. Op dat moment wordt er door de Duitsers op ”de stelling” geschoten. De 13-jarige Onne Pieter wordt daarbij door een granaatscherf getroffen en raakt zwaargewond. Hij wordt door de Canadezen afgevoerd naar een veldhospitaal in Wirdum. Daar overlijdt hij aan zijn verwondingen. De volgende dag maakt schoenmaker Laurens Helmens uit Wirdum melding van zijn overlijden op het gemeentehuis in Loppersum. Op 1 mei 1945 vindt de begrafenis plaats in Leermens. De naam van Onne Pieter Roelf Elema komt, door zijn overlijden in de gemeente Loppersum, niet op het monument van ’t Zandt te staan.